Doop in het het Oude Verbond

De doop in het Oude Testament
Exodus 19:10-20
Waar komt de doop vandaan?

Afbeelding van victorrdyrnes via Pixabay

Een belangrijke vraag is: “Waar komt de doop in de Bijbel vandaan?” De eerste in het Nieuwe Testament die doopte was Johannes de Doper. Hoe kwam hij er bij om dit te doen? Velen denken, dat zijn doop afgeleid was van de doop die heidenen ondergingen als zij Jood werden. Maar Johannes doopte toch geen heidenen? Zijn doop had hier niets mee te maken! En… waar kwam dan de doop voor deze heidenen vandaan?
Als Johannes zelf deze doop bedacht had, was hij afgeweken van de Bijbel en hadden de Joden hem nooit aanvaard. De doop moest door God Zelf ingesteld zijn en in de Bijbel. Alles wat in het geestelijk leven van de Israëlieten gebeurde, moest altijd teruggevoerd kunnen worden op een gebod van God, dat Hij door Mozes aan het volk gegeven had. Dat blijkt ook heel duidelijk in de evangeliën.
De Gemeente van de Heere Jezus is niet “uit het niets” ontstaan. De kerk heeft zijn geestelijke wortels niet liggen in Athene of in Rome. Dáár is de Gemeente van de Heere Jezus niet ontstaan. De Gemeente is ontstaan in Israël, in Jeruzalem, op de Pinksterdag die in Handelingen 2 beschreven wordt. Zij is ontstaan als een beweging binnen het Jodendom, waarbij Joodse gewoonten en gebruiken toegepast werden en van een nieuwe inhoud voorzien werden. De Gemeente heeft haar wortels zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament. Ook het Oude Testament is voor ons volledig het Woord van God, waarnaar wij moeten luisteren! (al is er wel een duidelijk verschil met het Oude en Nieuwe verbond) De Gemeente heeft haar wortels in synagoge en tempel. Wij lezen niet voor niets dat de apostelen (ook na de uitstorting van de Heilige Geest!) steeds in de synagoge en de tempel te vinden waren! De Gemeente heeft haar wortels in de Heere Jezus, Die de Messias van Israël is en Die als Koning der Joden gekomen is. Wij mogen dat alles nooit vergeten. Wij mogen hier niet achteloos aan voorbij gaan. Wij mogen niet doen alsof dit allemaal niet waar is.
De doop is niet “uit het niets” ontstaan. Johannes de Doper bracht geen nieuwe inzetting in Israël, toen hij de mensen doopte in de Jordaan. De Joden kenden de onderdompeling als een rituele wassing. Johannes de Doper was de eerste die deze onderdompeling praktiseerde met een nieuwe betekenis. Na de uitstorting van de Heilige Geest werd deze onderdompeling verder toegepast, met opnieuw een nieuwe betekenis. De daad zelf was echter bekend, zoals wij hierna zullen zien.
In Israël kende men de onderdompeling in het rituele bad. Men kende echter niet de besprenkeling met water, zoals die in vele kerken als doop toegepast wordt. Wij zullen u hierna wijzen op de doop door onderdompeling zoals wij die in het Oude Testament tegenkomen en op het doopbassin uit het Oude Testament.

De betekenis van het woord “wassen”
Het woord doop of onderdompelen komt een groot aantal keren in het Oude Testament voor. Het is in onze vertaling steeds weergegeven door het woord “wassen”. Zie bijvoorbeeld Leviticus 15:16 Hierdoor lijkt het in de bewuste teksten steeds erop, alsof de mensen vuil waren en het hoog tijd werd dat zij een bad namen. Het Hebreeuwse woord dat bij ons als “wassen” vertaald wordt, is het woord “rachats”. Het betekent niet “wassen zoals wij dat doen met water en zeep”. Het betekent “zuiveren, godsdienstig rein maken”. Het is niet “wassen met water”, maar “zuiveren door water”.
Dit godsdienstige reinigen was een opdracht van God voor de mensen en ook voor potten en pannen, vaten enz. Wij geven twee voorbeelden: In Lev. 15:16 staat dat een man die onrein geworden was, “zijn gehele lichaam in water moest baden en onrein zou zijn tot de avond”. De man heeft niet gezondigd. In dat geval zou hij zijn straf moeten dragen of een offer brengen. De man was ook niet “vies”. Hij heeft niet in de modder gelegen. In dat geval zou hij zelf ook wel geweten hebben dat hij zich moest wassen. De man is cultisch onrein. Hij is voor het godsdienstige leven op dat moment ongeschikt geworden. Hij kan die dag niet meedoen in het geestelijk leven van Israël. Dat kan hij pas na zonsondergang, als hij zich nu met water zuiver maakt.
Er staat dat de man zijn gehele lichaam in water moet wassen. Let op: er staat niet dat hij een deel van zijn lichaam met water moet wassen, maar dat hij zich helemaal in water moet wassen! Zijn gehele lichaam moet met het water in aanraking komen. Zijn gehele lichaam moet in water ondergedompeld worden. Het moet op dezelfde manier gebeuren, zoals het moest met vaten of kledingstukken die onrein waren en die godsdienstig gereinigd moesten worden. Deze moesten “in water gelegd worden” (Lev. 11:32). Dit betekent dat zij volledig ondergedompeld moesten worden in water.
De Bijbel zelf bewijst dat het woord “rachats” niet een gewone wasbeurt inhoudt, zoals iemand misschien uit onze vertaling zou willen opmaken. Het woord rachats komen wij namelijk tegen in de geschiedenis van Naäman. Wij zien in deze geschiedenis dat Naäman heel goed begrepen heeft, dat rachats niet betekende dat hij zich met water en zeep moest wassen, maar dat hij zich moest onderdompelen in de Jordaan.
Elisa gaf Naäman de volgende mededeling: “Ga heen en baad u zevenmaal in de Jordaan…” (2 Kon. 5:10) Hier is het woord “rachats” vertaald als “baden”. Naäman weet echter heel goed dat de profeet niet bedoeld heeft dat hij “in bad” moet. Toen Naäman gehoorzaam was aan de opdracht van Elisa, zo staat in de Bijbel, deed hij iets bijzonders: “Dus daalde hij af en dompelde zich zevenmaal onder in de Jordaan naar het woord van de man Gods.” (2 Kon. 5:14) Het woord voor “onderdompelen” is nu het Hebreeuwse woord “taw-bal” (dippen). Het woord “rachats” dat dus “wassen” of “baden” betekent, zegt niet dat de mens zich moet wassen met water en zeep, omdat hij vuil is. Het zegt, dat de mens zich godsdienstig moet reinigen, omdat hij onrein is.
Naäman deed naar het woord van de man Gods. Hij deed dus precies wat Elisa gezegd had. Elisa had gezegd dat hij zich moest baden. Toen hij precies deed wat Elisa gezegd had, dompelde hij zich onder in het water van de Jordaan. Baden, wassen betekent dus echt: onderdompelen. De Bijbel zelf toont hiermee heel duidelijk aan, dat “rachats” betekent: onderdompelen.

De eerste doopbediening in de Bijbel
De eerste “doopdienst” die wij in de Bijbel tegenkomen, is de massale “wassing”, onderdompeling die alle Israëlieten moesten verrichten bij de Sinaï, alvorens God Zijn verbond met hen zou sluiten. Deze mensen werden toen niet door iemand anders gedoopt. Zij deden het allemaal zelf.
De onderdompeling in Israël deed je zelf. Je werd niet ondergedompeld. Je dompelde jezelf onder. Toch kon je “door” iemand anders gedoopt worden. De Hebreeuwse uitdrukking die in dit verband voor “door” gebruikt werd, luidde “lifanav”, wat “onder toezicht van” betekent. Als er staat dat de mensen kwamen om “door” Johannes gedoopt te worden (Lucas 3:7), betekent dit niet, dat Johannes al deze mensen één voor één persoonlijk in het water heeft ondergedompeld, maar dat hij toezicht hield, terwijl deze mensen dit deden. De Joden waren immers gewend zichzelf onder te dompelen.
Terwijl de onderdompeling als regel in Israël geschiedde door de mens die zich onderdompelde en hij niet door een ander werd ondergedompeld, is dit enkele keren door iemand anders geschied. Twee keer in het Oude Testament lezen wij iets dergelijks, ook al staat het in onze vertaling erg onduidelijk.
In Ex. 29:4 staat in onze vertaling: “Ook zult gij Aäron en zijn zonen doen naderen tot de ingang van de tent der samenkomst en gij zult hen met water wassen.” Deze vertaling laat veel te wensen over. Zij moesten namelijk niet met water gewassen worden, maar in water gewassen worden. U denkt toch niet dat Mozes zijn broer Aäron en zijn zonen “in bad” moest doen? Aäron was geen klein kind dat door zijn grotere broer gewassen moest worden!
De “wassing” moest geschieden bij de ingang van de tent van de samenkomst. Hier moesten zij in een mikwe worden ondergedompeld. Wij zagen immers al eerder dat het Hebreeuwse woord “rachats” de betekenis heeft van: onderdompelen. Mozes moest dit doen. Ditzelfde lezen wij ook in Ex. 40:12 en Lev. 8:6. In het oude Israël kende men dus de onderdompeling waarbij men zichzelf onderdompelde. Men kende ook de onderdompeling, waarbij een “doper” optrad.
Later, toen de priesters hun eenmalige onderdompeling in het wasvat gehad hadden, behoefden zij alleen hun handen en voeten te wassen, als zij aantraden om de dienst in de tabernakel aan te vangen. De eenmalige volkomen onderdompeling in water was het beeld dat de priester zich volledig overgaf aan de dienst van God en aan de heiligheid van God. Zo wijdden de priesters zich eenmalig bij hun indiensttreding door middel van de onderdompeling aan God.
Dit betekent niet, dat de priesters daarna in het geheel niet meer zich in het mikwe onderdompelden. Dat deden zij bij andere gelegenheden nog steeds. In Num. 19:7,8 lezen wij dat de priester die de rode vaars verbrand had en de priester die het bloed van de rode vaars gesprenkeld had, “hun klederen moesten wassen en hun lichaam in water moesten baden.” Dit is opnieuw niet een gewone reiniging van eventueel vuil. Dit is een rituele reiniging, waarbij de priesters zichzelf en hun kleding moesten onderdompelen in het rituele bad, het mikwe. In vers 10 staat dat de man die de as verzameld had, ook zijn klederen moest wassen, d.w.z. ook zelf en zijn kleding moest onderdompelen in het rituele bad.
In de beschrijving van de grote verzoendag lezen wij, dat niet alleen de hogepriester verschillende keren zichzelf in het rituele bad moest onderdompelen, maar dat ook de man die de stier van het zondoffer verbrand had, zich moest onderdompelen in het rituele bad. Zie Lev. 16:24,28. Ook in Lev. 17:15,16 wordt nog over deze onderdompeling geschreven.
Wij zien uit dit alles dus heel duidelijk, dat de doop zoals wij die in het Nieuwe Testament kennen niet door Johannes de Doper bedacht is. De Israëlieten kenden de onderdompeling al vanaf de verbondssluiting bij de Sinaï. Om de doop te verstaan, mogen wij de gegevens uit het Oude Testament niet overslaan, weglaten, of negeren. Zoals wij bij alle andere gegevens uit het Nieuwe Testament kijken naar het Oude Testament om zo de juiste betekenis te vinden, zo zullen wij dat met de doop ook moeten doen.

De doop bij de verbondssluiting
Als een heiden zich bekeerde tot het Jodendom, moest hij op dezelfde manier bij het volk van God gaan behoren, zoals de Israëlieten eertijds het volk van God geworden waren en in het verbond met God opgenomen waren. Bij Israël was dit door drie speciale zaken geschied:
1.Door de besnijdenis. Deze besnijdenis was in Egypte geschied. Er mocht immers geen onbesnedene van het Pascha eten (Ex. 12:48). Dit betekent dat vóór het Paaslam in Egypte geslacht en gegeten werd, eerst alle mannen besneden zijn. Jozua 5:5 bevestigt, dat de Israëlieten die uit Egypte vertrokken waren, allemaal besneden waren. Van het volk dat in de woestijn geboren was, waren de mannen echter niet besneden. Zij werden alsnog besneden bij de intocht in het beloofde land (Jozua 5:4).

2.Door een offer. Het verbond werd gesloten onder het teken van een offer.
“Mozes schreef al de woorden van de Heere op. Vroeg in de morgen bouwde hij een altaar onder aan de berg… en zij brachten brandoffers en offerden stieren als vredeoffers voor de HEERE. Daarop nam Mozes de helft van het bloed en deed het in bekkens en de andere helft van het bloed sprengde hij op het altaar. Hij nam het boek van het verbond en las het voor de oren van het volk en zij zeiden: ‘Alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen en daarnaar zullen wij horen.’ Toen nam Mozes het bloed en sprengde het op het volk en hij zei: ‘Zie, het bloed van het verbond dat de HEERE met u sluit, op grond van al deze woorden’.” (zie Ex. 24:3-8)
Het offer werd voor het gehele volk gebracht.

3.Door de doop der onderdompeling. Dit was geschied aan de voet van de berg Sinaï, vóór het volk bij de berg kon aantreden. “En de HEERE zei tot Mozes: Ga tot het volk; heilig hen heden en morgen en laten zij hun klederen wassen. Toen daalde Mozes de berg af naar het volk; hij heiligde het volk en zij wasten hun klederen.” (Ex. 19:10,14). Realiseer u dat het hier gaat om een handeling die de “heiliging” van het volk teweeg moet brengen. Het gaat niet om een gewone lichamelijke wasbeurt en reiniging van de kleding. Daardoor word je niet geheiligd! “Klederen wassen” is de speciale uitdrukking voor “onderdompelen”. Het volk had niet gezondigd. De mensen hadden ook geen vuile kleding. Zij moesten zich godsdienstig reinigen en wijden voor de ontmoeting met God en de sluiting van het verbond. Dit deden zij door met hun kleding aan zich onder te dompelen in het mikwe.
Iedere man die zich uit het heidendom bekeerde tot het Jodendom, moest dezelfde handelingen ondergaan. Zoals de mensen van Israël bij de Sinaï in het verbond van God waren opgenomen, zo moest ook hij in het verbond worden opgenomen. Dit geldt nog steeds. Het is alleen niet mogelijk een offer te brengen, nu er geen tempel is. Daarom wordt een man, die sinds de verwoesting van de tempel van het heidendom tot het Jodendom overgaat in het verbond opgenomen door besnijdenis en onderdompeling.

We zien hier de 3 punten:
1) Besnijdenis.
2) Offer.
3) Onderdompeling.

Dit waren de drie gebeurtenissen voor dat ze een verbond sloten met God op de berg Sinaï.
Wat nu interessant is dat deze drie handelingen terug komen met de doop.

1) De besnijdenis niet door handen. geschied Kol.2:11 en 12
2) Het offer van Jezus aan het kruis. Matth. 27:33 t/m 57
3) Onderdompeling \ doop. Rom. 6
Dan kunnen we zeggen dat door deze handelingen we deel nemen aan het nieuwe verbond!

Enkele belangrijke feiten
Wij zien enkele belangrijke feiten in deze teksten:
1.De opdrachtgever van de doop was God Zelf. (Ex. 19:10). De doop is niet zo maar ergens in de tijd ontstaan als een behoefte die Israëlieten gevoeld hebben. De doop was een duidelijke opdracht die God via Mozes aan het volk gegeven heeft. De doop is dus verankerd in het Oude Testament.
De doop is nog altijd geen vrijblijvende zaak. Wij hebben een duidelijke opdracht van de Heere Jezus Zelf: Matth. 3:13 t/m 15, Matth. 28:19.

2a. De doop had een duidelijk doel: heiliging. (Ex. 19:10,14) Heiliging wil zeggen, dat je je afzondert van anderen. Hier werden de Israëlieten afgezonderd van de andere volken op aarde.

2b. De doop had dus als doel: Je ware identiteit bekend maken! Het volk Israël moest openbaar worden als het eigen volk van God. Dat was het doel van de doop. Dit was in de eerste plaats een daad voor God. God eiste deze gehoorzaamheid en zij deden het. Het was in de tweede plaats een getuigenis voor de wereld. Deze mensen waren nu de Heere God gewijd. Zij waren nu heiligen, ook al zouden zij nog vele keren zondigen. Wij zien meerdere keren dat de andere volken goed op de hoogte waren van alles wat er met de Israëlieten in de woestijn gebeurd was. Dus dit hebben zij zeker ook geweten.
De doop voor ons als christenen heeft nog steeds hetzelfde doel. De doop is niet bedoeld om je dichter bij God te brengen of om je het eeuwige leven te schenken. De doop is nog steeds een Bijbelse opdracht om je geloof openbaar te maken en om duidelijk te maken dat je niet meer bij de wereld hoort, maar dat je bij het volk van de Heere Jezus, de Gemeente, behoort.
De doop is ook je nieuwe identiteit. (Rom. 6)

3. De doop werd op een heel duidelijke manier uitgevoerd. Het is absoluut zeker dat de mensen zichzelf hier niet door besprenkeling in aanraking met het water gebracht hebben. Er waren poelen in de woestijn, oases. Daar hebben de mensen zich allemaal in het water ondergedompeld ter voorbereiding van de ontmoeting met God en als teken dat zij nu de Here God toegewijd waren.
Let er goed op, dat hier duidelijk blijkt, dat de doop niet gekomen is in de plaats van de besnijdenis, maar dat de doop naast de besnijdenis een volwaardige plaats innam. Het is een on-Bijbelse gedachte, dat de doop in de plaats van de besnijdenis gekomen zou zijn.
Vandaag zijn wij getuigen van de doop van mensen die de gehele Bijbel serieus nemen, die echt gehoorzaam willen zijn aan Gods opdracht, terwijl zij deze opdracht van God niet een eigen vorm geven. Zij worden ondergedompeld om dat zij bij het volk van de Heere Jezus behoren. Zij maken vandaag hun ware identiteit bekend: kind van God en vervult met de Heilige Geest.
Let er ook goed op, dat de Bijbel wel de besprenkeling kent, maar dat deze niet verward mag worden met de onderdompeling. De Bijbel kent de besprenkeling met bloed en de onderdompeling in water. De Bijbel kent niet de onderdompeling in bloed en niet de doop door besprenkeling met water. U mag deze zaken dus beslist niet met elkaar verwarren.
De Bijbel kent wel de besprenkeling met water in een heel ander verband. Het heeft dan niets met de doop te maken. Zo komen wij de besprenkeling met water tegen in Numeri 19 en in Ezech. 36:24-27. In de eerstgenoemde tekst gaat het over het reinigingswater dat met de as van de rode koe vermengd is. In Ezech. 36 is de besprenkeling met water geen verwijzing naar de doop, maar een beeld van het werk van de Heilige Geest, Die mensen een nieuw hart zal geven, zoals Ezech. 36:27 duidelijk maakt. Deze tekst vindt zijn vervulling in Joh. 7:37-39, waar de Heere Jezus het beeld van het water toepast op de Heilige Geest.

De doop bij bekering
Als een heiden zich bekeerde tot het Jodendom, moest hij (als het om een man ging) niet alleen besneden worden, maar moest hij zich ook onderdompelen in een ritueel bad (mikwe). Door de besnijdenis, een offer en de onderdompeling werd hij in het verbond opgenomen. Besnijdenis alleen was niet voldoende. Hij moest ook door onderdompeling gedoopt worden. Nooit is zo’n proseliet (dat is een heiden die tot het Jodendom overgaat) met water besprenkeld in plaats van in water ondergedompeld. Zij moesten zich altijd in water onderdompelen. Heidense vrouwen die tot het Jodendom overgingen, moesten zich alleen onderdompelen in het rituele bad.
Door deze onderdompeling maakte hij iets bijzonders zichtbaar. Als hij onderging in het water, toonde hij dat hij aan zijn oude, heidense familie gestorven was. Hij was nu geen heiden meer. De heiden was gestorven. De heiden was dood. Zijn heidense familie was nu zijn familie niet meer. Als hij opkwam uit het water toonde hij, dat hij een nieuw leven begonnen was in het volk Israël. Hij was nu “wedergeboren” als een Israëliet, als een man die in God geloofde. Hij gold als een pas geboren kind in het Jodendom.
De onderdompeling was zo belangrijk, dat zij als laatste kwam. Eerst besnijdenis, dan een offer en als laatste de onderdompeling. De onderdompeling was de sluitsteen en het hoogtepunt van de drie handelingen. Pas na de onderdompeling was de heiden geen heiden meer en was hij volledig in het Jodendom opgenomen. Zo staat het ook in de Talmoed (De Talmoed (Hebreeuws: תלמוד) (= mondelinge leer) is na de Tenach (voor christelijke het Oude Testament) het belangrijkste boek binnen het jodendom.): “Zodra de bekeerling zich onderdompelt en weer boven komt, is hij in alle opzichten gelijk aan een Jood.” In Israël beschreef men dit als volgt: “Hij is in het mikwe als het ware teruggekeerd in de baarmoeder en er weer uit voort gekomen. Hij is opnieuw in de moederschoot ingedaald en er weer uitgekomen. Nu is hij wedergeboren. Hij is een nieuwe mens. Hij is geen heiden meer. Hij is nu volkomen een Israëliet.”
Hier herkent u ongetwijfeld het gesprek dat de Heere Jezus voerde met Nicodemus. Wij lezen dit in Johannes 3. Toen de Heere Jezus sprak over de wedergeboorte, paste Nicodemus deze woorden direct toe op de onderdompeling. Hij vergeleek het mikwe, zoals de Joden gewend waren, met de baarmoeder, of zoals het in onze vertaling staat: de moederschoot. Dit betekent niet dat Nicodemus de Heere Jezus niet begreep en een flauwe opmerking maakte over het ingaan in de moederschoot. Nicodemus had het niet over de echte moederschoot. Hij had het over het mikwe. Nicodemus wist maar al te goed, dat de onderdompeling betekende, dat je stierf aan je eigen wil, aan je oude mens. Onderdompeling stond gelijk aan zelfvernietiging van de oude mens en wedergeboorte tot een nieuw leven. Bij de onderdompeling breek je je oude leven af en mag het nieuwe leven uit het watergraf verrijzen.
Prof. Dr. Abraham Kuyper heeft er met nadruk op gewezen dat in Israël de doop en de besnijdenis naast elkaar bestonden en dat daarmee bewezen is, dat de doop nooit in de plaats van de besnijdenis gekomen is. Hij wijst erop dat als een heiden tot het Jodendom overging, hij besneden moest worden, gedoopt moest worden door onderdompeling en een offer moest brengen. De doop waar hier nu van sprake is, werd de “proselietendoop” genoemd. Ook kinderen die met de ouders meegingen vanuit het heidendom tot het Jodendom werden besneden en gedoopt door onderdompeling. Tevens wijst Kuyper erop dat de doop van meer gewicht geacht werd dan de besnijdenis. Kuyper maakt, als Gereformeerd theoloog, hiermee duidelijk, dat

1- de doop niet in de plaats van de besnijdenis gekomen kan zijn, omdat hier al sprake was van doop en besnijdenis tezamen en dat
2- de doop door onderdompeling van meer gewicht was dan de besnijdenis.

Als een heiden zich aanmeldde om Jood te worden, werd er een commissie van 5 mannen benoemd om de kandidaat te onderzoeken. Er moest nauwkeurig nagegaan waren of de kandidaat geen bijbedoelingen had. Als alles in orde was, werd de heiden besneden. Nadrukkelijk wijzen wij erop, dat de man na de besnijdenis nog geen Jood was. De besnijdenis hoe belangrijk deze ook is maakte hem nog niet tot een Jood! (Dit laat ontegenzeggelijk zien dat de zogeheten “kinderdoop” nooit in plaats van de besnijdenis gekomen kan zijn, en in de weg kan staan voor de geloofsdoop) Als hij hersteld was van de ingreep, werd er een offer gebracht en werd hij gedoopt. Ook de vrouwen, die niet besneden werden, werden gedoopt. Terwijl in Israël de mannen wel besneden werden en de vrouwen niet, kenden zij allebei de doop door onderdompeling.
En van de 5 mannen die het onderzoek naar de kandidaat gedaan had, was nu degene die de doop voltrok. Hij heette, net zoals Johannes heette: de Matbiel, de doper, dat is “de onder dompelaar”.. Hij fungeerde als een vader voor de proseliet. De man die uit het heidendom overging tot het Jodendom, stierf immers aan alle heidense banden. Hij had ineens zelfs geen familie meer. Bij de doop had hij echter ineens weer een vader. Als hij uit het doopwater kwam, was hij als een geboren Israëliet. Hij behoorde bij het volk Israël en had ook weer een vader.
Hoe ging de doop van de Proseliet? Nadat men zich uitgekleed had, werden de nagels en het haar afgeknipt. Daarop daalde men tot de borst in het water. Zo bleef men staan, terwijl hem de Bijbelse geboden werden voorgehouden. Als de dopeling verklaarde dat hij deze geboden aanvaardde, werd hij helemaal ondergedompeld. Hij ging als heiden onder water en kwam als Israëliet boven water. Hij was nu een nieuw geborene, wedergeboren.

Het doopbassin
Wij komen in het Oude Testament ook een aantal keren het woord voor “doopbassin” tegen, waarin men zich onderdompelde. De opdracht om deze baden te hebben en om je daarin onder te dompelen, hebben wij in Lev. 11:36, waar sprake is van “een bron echter of een put, een vergaarbak van water, zal rein zijn.” Het woord “vergaarbak” heet in het Hebreeuws een “mikvah”. In Nederland wordt dit “mikvah” als “mikwe” geschreven en uitgesproken. Wij zullen het hierna dus ook steeds over het “mikwe” hebben. Het woord “mikvah” wordt eerder al in Ex. 7:19 gebruikt en daar vertaald als “verzamelplaats” van water. Deze verzamelplaatsen van water, deze mikwes waren dus niet bedoeld als opslagplaats van drinkwater, maar als doopbassin voor de rituele onderdompeling. Het water dat in dit mikwe was, was rein water. Het diende, om de mens of het voorwerp dat godsdienstig onrein was, rein te maken. Het mikwe is dus het doopbassin van de Bijbel dat tot doel heeft de onreine mens door onderdompeling in het water rein te maken.
Een mikwe was in de tijd van de Bijbel heel belangrijk voor het volk van God. Het is nog altijd zeer belangrijk voor religieuze Joden. Religieuze Joden kunnen zelfs niet zonder mikwe leven. In feite is voor de religieuze Jood het mikwe nog belangrijker dan de synagoge. Het mikwe heeft nog altijd dezelfde betekenis als dat het had in de tijd van de Bijbel. Het dient niet om lichamelijke onreinheid te verwijderen, maar om te reinigen van geestelijke onreinheid. Deze reiniging kan en kon alleen verkregen worden, als men zich met het hart er ook toe wijdde.
Als regel behoorde een mikwe 120 cm diep te zijn, zodat een mens zich gemakkelijk kon onderdompelen. Als het niet mogelijk was om een mikwe met deze diepte te hebben, was een mindere diepte ook toegestaan. Zelfs als het water maar tot de knieën kwam, was het mikwe een goedgekeurd ritueel reinigingsbad. De mens die zich wilde onderdompelen, moest dan eenvoudig in het water gaan liggen. Hiermee is direct de gedachte weerlegd, als zou de Jordaan vaak te ondiep zijn om onder te dompelen. De Joden waren gewend om zich ook in ondiep water onder te dompelen.
Het mikwe had voor de mens in de tijd van het Oude Testament al de betekenis van een “graf”. Het was het “watergraf”. Door de onderdompeling in het mikwe gaat de mens “ten onder”, staat hij tijdelijk “buiten het leven”, is hij even “dood”. Zodra hij boven water komt, is hij “opgestaan tot een nieuw leven”. Onderdompelen heeft altijd de betekenis gehad van “sterven aan je situatie op dat moment en opstaan als een nieuw mens”. Zo had de onderdompeling in het rituele doopbassin, het mikwe, altijd de betekenis van een “opstaan uit de dood” en van een “wedergeboorte”.

De doopbassins in de tempel
Als christenen denken aan het wasvat in de tempel, denken zij vaak dat dit eenzelfde wasvat was als het wasvat uit de tabernakel. Het wasvat in de tabernakel was een betrekkelijk klein wasvat dat alleen diende, opdat de priesters hun handen en voeten konden wassen. Het wasvat in de tempel van Salomo was echter veel en veel groter, zo vertelt de Bijbel ons. Dit wasvat diende voor de onderdompelingen van de priesters, om zich ritueel te reinigen.
Er staan twee verwijzingen naar dit wasvat uit de tempel in de Bijbel: 1 Kon. 7:23-40 en 2 Kron. 4:2-6. Hier zien wij dat Salomo niet alleen een heel groot wasvat liet maken een wasvat dat zó groot was, dat het “de zee” genoemd werd, maar dat hij ook nog tien koperen wasbekkens liet maken. Elk wasbekken kon 40 bath water bevatten. Dit komt neer op 1600 liter water per wasbekken.
De inhoud van de zee was echter volgens Koningen 2000 bath water. De inhoud was volgens Kronieken zelfs 3000 bath. Het verschil ligt in de wijze waarop gemeten werd. In de ene meting werd alleen het onderste deel gemeten. In de andere meting werd het gehele wasvat tot aan de rand gemeten. Volgens Koningen stond er steeds 2000 bath water in. Dit komt overeen met 80.000 liter. Volgens Kronieken kon het wasvat echter wel 3000 bath bevatten, wat overeenkomt met maar liefst 120.000 liter water.
In 2 Kron. 4:6 staat duidelijk dat dit wasvat bestemd was, opdat de priesters zich er in konden wassen. De priesters gebruikten dit enorme wasvat dus niet slechts om de handen en de voeten te wassen, zoals zij in de tijd van de tabernakel gedaan hadden. Dit wasvat was opdat de priesters zich erin konden onderdompelen. Het wasvat in de tijd van de Heere Jezus was zo groot, dat telkens 12 priesters gelijktijdig in het wasvat zich konden onderdompelen!
Deze “zee” was maar liefst 5 el hoog, dat is 2« meter. De zee had een diameter van 10 el, dat is 5 meter. Als je een lint om de zee hield, was dit lint 30 el lang, dat is 15 meter. De zee was zo zwaar, dat hij op 12 runderen stond. Koning Achaz heeft de zee van de runderen laten afhalen en het wasvat op de grond geplaatst (2 Kon. 16:17). Dit wasvat was zo enorm groot, zo vertelt de overlevering ons, dat er net zoveel water in ging als in 150 gewone mikwes!

God en het mikwe
Het woord “mikwe” is een heel bijzonder woord in de Bijbel. Het wordt, zoals wij zagen, gebruikt voor het rituele waterbad, waarin de onreine zich onderdompelt en rein wordt. Het woord wordt echter ook voor God gebruikt. Hierdoor blijkt dat het woord mikwe een heel bijzonder woord is.
In Jeremia 14:8; 17:12,13 en 50:7 wordt God het mikwe van Israël genoemd. In onze vertaling is het Hebreeuwse woord “mikvah” hier vertaald als “hoop”. God is het mikwe van Israël; Hij is de Hoop van Israël. God is op een heel bijzondere manier de hoop van Israël. Hij is Israëls hoop, omdat Hij Israëls mikwe is. Zoals het mikwe reiniging schenkt aan de onreine, zo doet God dat heel nadrukkelijk en heel in het bijzonder. Duidelijk blijkt uit deze verwijzing naar God Zelf, dat het mikwe in de Bijbel een heel belangrijke plaats inneemt. Hier mogen wij niet achteloos aan voorbij gaan. God wil ons reiniging schenken. God wil ons een nieuw leven geven. God is onze Hoop. Hierbij mogen wij echter het water van het onderdompeling in bad niet passeren.

De doopbassins in en bij Jeruzalem in de tijd van de Here Jezus
Volgens de wijze waarop in het Jodendom mensen zich onderdompelden, was veel water nodig. Dit water moest stromend water zijn of voor een deel “levend” water. In de Jordaan waren plaatsen waarin men zich onderdompelde in het stromende water van de rivier. Bij de tempel waren vele rituele baden, die ook “mikwe” genoemd werden, waarin de tempelgangers zich onderdompelden, voordat zij het tempelterrein betraden. Deze mikwes bij de tempel van Jeruzalem zijn door archeologen blootgelegd en kunnen door iedere bezoeker van de tempelopgravingen gezien worden. Ook bij de synagogen waren rituele baden, waar men zich kon onderdompelen.
Als de pelgrims bij Jeruzalem aankwamen, hadden zij voldoende mikwes nodig om zich allemaal te kunnen onderdompelen. Daarom waren er heel wat poelen en vijvers die voor dit doel geschikt waren. U hebt ongetwijfeld gehoord van de poel van Siloam. Deze poel van Siloam was ook een mikwe. Het wordt tot op vandaag “het mikwe van de hogepriester Ismaël genoemd. De blindgeborene moest er naar toe om zich te “wassen”. Wij hebben reeds gezien dat het woord “wassen” in godsdienstig opzicht betekent: onderdompelen. De Heere Jezus gebood de blindgeborene om zich onder te dompelen in het mikwe van Siloam. Daarna was hij rein en was hij genezen!
Er was ook een mikwe bovenop de Olijfberg. Het diende om gebruikt te worden, als de rode vaars verbrand was en de priesters zich moesten reinigen van het contact met de dode koe. Er was een speciale brug tussen de tempel en de Olijfberg, zodat men, als men van de tempel naar de Olijfberg ging, of andersom, niet via het dal met de begraafplaats hoefde te gaan en men weer onrein zou worden. Er waren ook vele mikwes bij de trappen die toegang verleenden tot de ingang van de tempel. Hier dompelden de pelgrims die de tempel bezochten zich onder, voordat zij het tempelterrein betraden. De tempel was immers de plaats waar God woonde. Je moest je godsdienstig reinigen om Hem te kunnen ontmoeten.
In de tempel waren ook veel mikwes. Er was er één in de kamer van de melaatsen. Niet alleen ex-melaatsen mochten zich hier onderdompelen, ook andere tempelbezoekers mochten dit. Daarnaast waren er vele mikwes op het tempelterrein in de verschillende kamers, opdat de priesters zich konden onderdompelen en zich geestelijk konden reinigen. De hogepriester had zijn eigen mikwes; één boven de waterpoort en één op het dak van de zogenaamde Parva-kamer.
Een mooi voorbeeld van een mikwe hebben wij in Hand. 16:13 waar staat: “En op de sabbatdag gingen wij de poort (van de stad) uit, de rivier langs, waar wij verwachtten, dat een gebedsplaats zou zijn. En neergezeten, spraken wij tot de vrouwen die samengekomen waren.”

Wat kunnen wij uit deze verzen leren?
Paulus ging in alle steden waar hij kwam, altijd eerst op zoek naar de synagoge. Hij is nu in Philippi en ontdekt dat er geen synagoge in de stad is, terwijl er toch Joden in de stad moeten wonen. Paulus weet, dat als het aantal Joden te klein is om een eigen synagoge te hebben, zij een speciale gebedsplaats ergens bij de rivier moeten hebben. Joden hebben immers stromend water (zoals het water van een rivier) nodig voor hun rituele baden. Paulus gaat dus op zoek langs de rivier om te kijken of hij deze gebedsplaats kan vinden en om te zien of daar Joden zijn. Hij vindt deze gebedsplaats, evenals enkele vrouwen die daar klaarblijkelijk gekomen zijn om te bidden en zich in het water van de rivier onder te dompelen. Zij zijn in ieder geval niet voor een synagogedienst gekomen. Voor een dienst zijn minstens 10 mannen, een zogenaamd minjan, vereist. Er waren echter alleen vrouwen, zodat zij geen dienst konden houden.
Om je te kunnen onderdompelen in zo’n ritueel bad, moest er van nature veel water zijn, zoals in een rivier, of je moest het water uit een rivier naar je rituele bad laten komen (zoals bij de tempel) of je moest voldoende regenwater opvangen en bewaren. Om je te kunnen onderdompelen had je dus veel water nodig. Dit zien wij ook in Joh. 3:23, waar wij lezen, dat Johannes de Doper doopte in Aenon, “omdat daar veel water was”. Om mensen met water te besprenkelen, heb je niet veel water nodig. Om mensen te kunnen onderdompelen, heb je veel water nodig.”

Deze studie is met toestemming overgenomen van Thora en genade

Nicky en Amasja hebben de studie aangescherpt om de Bijbelse waarheid nog krachtiger te laten weerklinken.

Klik op onderstaande link voor de originele studie.
De doop in het Oude Testament.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *