Deel 6C. Het Woord aan het woord, 47 passages waar Jezus een of twee mensen tegelijk genas, Lukas

Er zijn zevenenveertig andere passages waar Jezus één of twee mensen tegelijk genas Laat u inspireren door Het Woord zelf! Nu het Bijbelboek Lukas.

Lukas 4:33-39 En in de synagoge was een mens, die een geest van een onreine duivel had; en hij riep uit met grote stem, Zeggende: Laat af, wat hebben wij met U te doen, U Jezus de Nazarener? Bent U gekomen, om ons te verderven? Ik ken U, wie U bent, namelijk de Heilige van God. En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil, en ga van hem uit. En de duivel, hem in het midden geworpen hebbende, voer van hem uit, zonder hem iets te beschadigen. En er kwam een verbaasdheid over allen; en zij spraken samen tot elkander, zeggende: Wat woord is dit, dat Hij met macht en kracht de onreine geesten gebiedt, en zij varen uit? En het gerucht van Hem ging uit in alle plaatsen en de omliggende landen. En Jezus, opgestaan zijnde uit de synagoge, ging in het huis van Simon; en de schoonmoeder van Simon was met een grote koorts bevangen, en zij baden Hem voor haar. En staande boven haar, bestrafte Hij de koorts, en de koorts verliet haar; en zij stond direct op en diende hen allen.

Lukas 5:12-15 En het geschiedde, als Hij in een van die steden was, ziet, er was een man vol melaatsheid; en Jezus ziende, viel hij op het aangezicht, en bad Hem, zeggende: Heere! zo U wilt, U kunt mij reinigen. En Hij, de hand uitstrekkende, raakte hem aan; en zei: IK wil, word gereinigd! En terstond ging de melaatsheid van hem. En Hij gebood hem, dat hij het niemand zeggen zou; maar ga heen, zei Hij, vertoon je zelf aan de priester, en offer voor uw reiniging, gelijk Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis. Maar het gerucht van Hem ging te meer voort; en vele scharen kwamen samen om Hem te horen, en door Hem genezen te worden van hun ziekten.

Lukas 5:17-26 En het geschiedde in een van die dagen, dat Hij leerde, en er zaten Farizeeën en leraars van de wet, die van alle vlekken van Galilea, en Judea, en Jeruzalem gekomen waren; en de kracht van de Heere was er om hen te genezen. En ziet, enige mannen brachten op een bed een mens, die geraakt was, en zochten hem in te brengen, en voor Hem te leggen. En niet vindende, waardoor zij hem inbrengen mochten, overmits de schare, zo klommen zij op het dak, en lieten hem door de tichelen neer met het bed, in het midden, voor Jezus. En Hij ziende hun geloof, zei tot hem: Mens, jouw zonden zijn je vergeven. En de Schriftgeleerden en de Farizeeën begonnen te overdenken, zeggende: Wie is Deze, Die Gods lastering spreekt? Wie kan de zonden vergeven, dan God alleen? Maar Jezus, hun overdenkingen bekennende, antwoordde en zei tot hen: Wat overdenken jullie in jullie harten? Wat is lichter te zeggen: Je zonden zijn je vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel? Maar opdat jullie mogen weten, dat de Zoon van de mensen macht heeft op de aarde, de zonde te vergeven (zei Hij tot de geraakte): Ik zeg je, sta op, en neem je bed op, en ga heen naar je huis. En hij, terstond voor Hem opstaande, en opgenomen hebbende hetgeen, daar hij op gelegen had, ging heen naar zijn huis, God verheerlijkende. En ontzetting heeft hen allen bevangen, en zij verheerlijkten God, en werden vervuld met vreze, zeggende: Wij hebben heden ongelofelijke dingen gezien.

Lukas 6:6-10 En het gebeurde ook op een anderen sabbat, dat Hij in de synagoge ging, en leerde. En daar was een mens, en zijn rechterhand was dor. En de Schriftgeleerden en de Farizeeën namen Hem waar, of Hij op de sabbat genezen zou; opdat zij enige beschuldiging tegen Hem mochten vinden. Maar Hij kende hun gedachten, en zei tot de mens, die de dorre hand had: Sta op, en sta in het midden. En hij opgestaan zijnde, stond overeind. Zo zei dan Jezus tot hen: Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbatten, goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te verderven? En hen allen rondom aangezien hebbende, zei Hij tot de mens: Strek je hand uit. En hij deed alzo; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.

Lukas 7:1-17 Nadat Hij nu al Zijn woorden voleindigd had, ten gehore gebracht aan het volk, ging Hij in te Kafarnaüm. En een dienstknecht van een zeker hoofdman over honderd, die hem zeer waard was, ziek zijnde, lag op sterven. En van Jezus gehoord hebbende, zond hij tot Hem de ouderlingen van de Joden, Hem biddende, dat Hij wilde komen, en zijn dienstknecht gezond maken. Dezen nu, tot Jezus gekomen zijnde, baden Hem ernstig, zeggende: Hij is waardig, dat U hem dat doet; Want hij heeft ons volk lief, en heeft zelf ons de synagoge gebouwd. En Jezus ging met hen. En als Hij nu niet verre van het huis was, zond de hoofdman over honderd tot Hem enige vrienden, en zei tot Hem: Heere, neem de moeite niet; want ik ben niet waardig, dat U onder mijn dak zou inkomen. Daarom heb ik ook mij zelf niet waardig geacht, om tot U te komen; maar zeg het met een woord, en mijn knecht zal genezen worden. Want ik ben ook een mens, onder de macht van anderen gesteld, hebbende krijgsknechten onder mij, en ik zeg tot dezen: Ga, en hij gaat; en tot den anderen: Kom en hij komt; en tot mijn dienstknecht: Doe dat! en hij doet het. En Jezus, dit horende, verwonderde Zich over hem; en Zich omkerende, zei tot de schare, die Hem volgde: Ik zeg u: Ik heb zo groot een geloof zelfs in Israël niet gevonden. En die gezonden waren, wedergekeerd zijnde in het huis, vonden de zieken dienstknecht gezond. En het geschiedde op den volgenden dag, dat Hij naar een stad ging, genaamd Naïn, en met Hem gingen velen van Zijn discipelen, en een grote schare. En als Hij dichter bij de poort van die stad kwam, zie daar, een dode werd uitgedragen, die een eniggeboren zoon van zijn moeder was, en zij was weduwe en een grote schare van de stad was met haar. En de Heere, haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zei tot haar: Ween niet. En Hij ging toe, en raakte de baar aan; (de dragers nu stonden stil) en Hij zei: Jongeling, Ik zeg je, sta op! En de dode zat overeind, en begon te spreken. En Hij gaf hem aan zijn moeder. En vreze beving hen allen, en zij verheerlijkten God, zeggende: Een groot Profeet is onder ons opgestaan, en God heeft Zijn volk bezocht. En dit gerucht van Hem ging uit in geheel Judea, en in al de omliggende landen.

Lukas 8:27-39 En als Hij aan het land uitgegaan was, ontmoette Hem een zeker man uit de stad, die van over langen tijd met duivelen was bezeten geweest; en was met geen klederen gekleed, en bleef in geen huis, maar in de graven. En hij, Jezus ziende, en zeer roepende, viel voor Hem neer, en zei met een grote stem: Wat heb ik met U te doen, Jezus, U zoon van God, de Allerhoogste, ik bid U, dat U mij niet pijnigt! Want Hij had den onreinen geest geboden, dat hij van den mens zou uitvaren; want hij had hem lange tijd bevangen gehad; en hij werd met ketenen en met boeien gebonden, om bewaard te zijn; en hij verbrak de banden, en werd van den duivel gedreven in de woestijnen. En Jezus vraagde hem, zeggende: Welke is je naam? En hij zei: Legio. Want vele duivelen waren in hem gevaren. En zij baden Hem, dat Hij hun niet gebieden zou in den afgrond heen te varen. En aldaar was een kudde veler zwijnen, weidende op de berg; en zij baden Hem, dat Hij hun wilde toelaten in dezelve te varen. En Hij liet het hun toe. En de duivelen, uitvarende van den mens, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in het meer; en versmoorde. En die ze weidden, ziende hetgeen geschied was, zijn gevlucht; en heengaande boodschapten het in de stad, en op het land. En zij gingen uit, om te zien hetgeen geschied was, en kwamen tot Jezus, en vonden de mens, van welken de duivelen uitgevaren waren, zittend aan de voeten van Jezus, gekleed en wel bij zijn verstand; en zij werden bevreesd. En ook, die het gezien hadden, verhaalden hun, hoe de bezetene was verlost geworden. En de gehele menigte van het omliggende land van de Gadarenen baden Hem, dat Hij van hen wegging; want zij met grote vreze waren bevangen. En Hij, in het schip gegaan zijnde, keerde wederom. En de man, van welken de duivelen uitgevaren waren, bad Hem, dat hij mocht bij Hem zijn. Maar Jezus liet hem van Zich gaan, zeggende: Keer terug naar je huis, en vertel, wat grote dingen God jou gedaan heeft. En hij ging heen door de gehele stad, verkondigende, wat grote dingen Jezus hem gedaan had.

Lukas 8:43-56 En een vrouw, die twaalf jaren lang de vloed van bloed gehad had, welke al haar leeftocht aan medicijnmeesters (doctoren) ten koste gelegd had; en van niemand had kunnen genezen worden, Van achteren tot Hem komende, raakte de zoom van Zijn kleed aan; en terstond stelpte de vloed van bloed. En Jezus zei: Wie is het, die Mij heeft aangeraakt? En als zij het allen ontkenden, zei Petrus en die met hem waren: Meester, de scharen drukken en verdringen U, en zegt U: Wie is het, die Mij aangeraakt heeft? En Jezus zei: Iemand heeft Mij aangeraakt; want Ik heb bekend, dat kracht van Mij uitgegaan is. De vrouw nu, ziende, dat zij niet verborgen was, kwam bevende, en voor Hem neervallende, verklaarde Hem voor al het volk, om wat oorzaak zij Hem aangeraakt had, en hoe zij terstond genezen was. En Hij zei tot haar: Dochter, wees welgemoed, je geloof heeft je behouden; ga heen in vrede. Als Hij nog sprak, kwam er een van het huis van de oversten van de synagoge, zeggende tot hem: Uw dochter is gestorven; wees de Meester niet moeilijk. Maar Jezus, dat horende, antwoordde hem, zeggende: Vrees niet, geloof alleen, en zij zal behouden worden. En als Hij in het huis kwam, liet Hij niemand inkomen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, en de vader en de moeder van het kind. En zij schreiden allen, en maakten misbaar over hetzelve. En Hij zei: huilt niet; zij is niet gestorven; maar zij slaapt. En zij belachten Hem, wetende, dat zij gestorven was. Maar als Hij ze allen uitgedreven had, greep Hij haar hand en riep, zeggende: Kind, sta op! En haar geest keerde terug, en zij is terstond opgestaan; en Hij gebood, dat men haar te eten geven zouden. En haar ouders ontzetten zich; en Hij beval hun, dat zij niemand zouden zeggen hetgeen geschied was.

Lukas 9:37-42 En het gebeurde overdag daaraan, als zij van de berg afkwamen, dat Hem een grote menigte tegemoet kwam. En ziet, een man van de menigte riep uit, zeggende: Meester, ik bid U, zie toch mijn zoon aan; want hij is mij een eniggeboren. En zie, een geest neemt hem, en van stonde aan roept hij, en hij scheurt hem, dat hij schuimt, en wijkt nauwelijks van hem, en verplettert hem. En ik heb Uw discipelen gebeden, dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund. En Jezus, antwoordende, zei: O ongelovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog bij jullie zijn, en jullie verdragen? Breng uw zoon hier. En nog, als hij naar Hem toekwam, scheurde hem de duivel, en verscheurde hem; maar Jezus bestrafte de onreinen geest, en maakte het kind gezond, en gaf hem terug aan zijn Vader.

Lukas 11:14 En Hij wierp een duivel uit, en die was stom. En het geschiedde, als de duivel uitgevaren was, dat de stomme sprak; en de menigte verwonderden zich.

Lukas 13:11-17 En zie, er was een vrouw, die een geest van krankheid (ziekte) achttien jaren lang gehad had, en zij was samengebogen, en kon zich helemaal niet oprichten. En Jezus, haar ziende, riep haar tot Zich, en zei tot haar: Vrouw, U bent verlost van uw krankheid (ziekte). En Hij legde de handen op haar; en zij werd meteen weer recht, en verheerlijkte God. En de overste van de synagoge, kwalijk nemende, dat Jezus op de sabbat genezen had, antwoordde en zei tot de schare: Er zijn zes dagen, in welke men moet werken; komt dan in dezelve, en laat u genezen, en niet op de dag van de sabbat. De Heere dan antwoordde hem en zei: jullie geveinsde, maakt niet iedereen van jullie op de sabbat zijn os of ezel van de kribbe los, en leidt hem heen om te doen drinken? En deze, die een dochter Abrahams is, welke de satan, ziet, nu achttien jaren gebonden had, moest die niet losgemaakt worden van dezen band, op de dag van de sabbat? En als Hij dit zei, werden zij allen beschaamd, die zich tegen Hem stelden; en al de schare verblijdde zich over al de heerlijke dingen, die van Hem gebeuren.

Lukas 14:1-4 En het gebeurde, als Hij gekomen was in het huis van één van de oversten van de Farizeeën, op de sabbat, om brood te eten, dat zij Hem waarnamen. En ziet, er was een zeker waterzuchtig mens (waterzucht zelfst. naamw. [medisch], oedeem is een opeenhoping van extracellulair vocht in weefsel, leidend tot een zwelling zonder toename van het aantal cellen) voor Hem. En Jezus, antwoordende, zei tot de wetgeleerden en Farizeeën, en sprak: Is het ook geoorloofd op den sabbat gezond te maken? Maar zij zwegen stil. En Hij nam hem, en genas hem, en liet hem gaan.

Lukas 18:35-43 En het geschiedde, als Hij nabij Jericho kwam, dat een zeker blinde aan de weg zat, bedelende. En deze, horende de schare voorbijgaan, vraagde, wat dat was. En zij boodschapten hem, dat Jezus de Nazarener voorbijging. En hij riep, zeggende: Jezus, U Zoon van David, ontferm U over mij! En die voorbijgingen, bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel te meer: Zoon van David, ontferm U over mij! En Jezus, stilstaande, beval, dat men hem tot Hem brengen zou; en als hij dichtbij Hem gekomen was, vraagde Hij hem, Zeggende: Wat wil je, dat Ik je doen zal? En hij zei: Heere! dat ik ziende mag worden. En Jezus zei tot hem: Word ziende; je geloof heeft je behouden. En terstond werd hij ziende, en volgde Hem, God verheerlijkende. En al het volk, dat ziende, gaf God de lof.

Lukas 22:51 En Jezus, antwoordende, zei: Laat hen tot hiertoe geworden; en raakte zijn oor aan, en heelde hem.

Dit aangaande het Bijbelboek: Lukas.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.